Home

Schoolplanbijlage 1: Kerndoelen.

Zie ook

Algemene doelstellingen:
1 = de emotionele ontwikkeling
2 = de verstandelijke ontwikkeling
3 = het ontwikkelen van de creativiteit
4 = het verwerven van noodzakelijke kennis
5 = het verwerven van sociale vaardigheden
6 = het verwerven van culturele vaardigheden
7 = het verwerven van lichamelijke vaardigheden
8 = de godsdienstige vorming





Kerndoel:
Uitwerking:


NEDERLANDS - Mondeling taalonderwijs
1 De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.



2 De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren.



3 De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.


Schriftelijk taal­onderwijs
4 De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema’s, tabellen en digitale bronnen.



5 De leerlingen leren naar inhoud en vorm teksten te schrijven met verschillende functies, zoals: informeren, instrueren, overtuigen of plezier verschaffen.



6 De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, en bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale bronnen.



7 De leerlingen leren informatie en meningen te vergelijken en te beoordelen in verschillende teksten.



8 De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur.



9 De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten.


Taalbeschouwing, waaronder strategieën
10 De leerlingen leren bij de doelen onder ‘mondeling taalonderwijs’ en ‘schriftelijk taalonderwijs’ strategieën te herkennen, te verwoorden, te gebruiken en te beoordelen.



11 De leerlingen leren een aantal taalkundige principes en regels. Zij kunnen in een zin het onderwerp, het werkwoordelijk gezegde en delen van dat gezegde onderscheiden. De leerlingen kennen: regels voor het spellen van werkwoorden; regels voor het spellen van andere woorden dan werkwoorden; regels voor het gebruik van leestekens.



12 De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.


ENGELS
13 De leerlingen leren informatie te verwerven uit eenvoudige gesproken en geschreven Engelse teksten.



14 De leerlingen leren in het Engels informatie te vragen of geven over eenvoudige onderwerpen en zij ontwikkelen een attitude waarbij ze zich durven uit te drukken in die taal.



15 De leerlingen leren de schrijfwijze van enkele eenvoudige woorden over alledaagse onderwerpen.



16 De leerlingen leren om woordbetekenissen en schrijfwijzen van Engelse woorden op te zoeken met behulp van het woordenboek.


FRIES
17 t/m 22 Niet van toepassing


REKENEN/WISKUNDE - Wiskundig inzicht en handelen
23 De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken.



24 De leerlingen leren praktische en formele rekenwiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven.



25 De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van rekenwiskundeproblemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.


Getallen en bewerkingen
26 De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen.



27 De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen in elk geval tot 100 snel uit het hoofd uitvoeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn.



28 De leerlingen leren schattend tellen en rekenen.



29 De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.



30 De leer­lingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures.



31 De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.


Meten en Meetkunde
32 De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen.



33 De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.


ORIËNTATIE OP JEZELF EN DE WERELD - Mens en samenleving
34 De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen.



35 De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument.



36 De leerlin­gen leren hoofdzaken van de Nederlandse en Europese staatsinrichting en de rol van de burger.



37 De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen.



38 De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan met verschillen in opvattingen van mensen.



39 De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.


Natuur en Techniek
40 De leerlingen leren in de eigen omgeving veel voorkomende planten en dieren onderscheiden en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving.



41 De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen.



42 De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur.



43 De leerlingen leren hoe je weer en klimaat kunt beschrijven met behulp van temperatuur, neerslag en wind.



44 De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik.



45 De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren.



46 De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte van de zon, seizoenen en dag en nacht veroorzaakt.


Ruimte
47 De leerlingen leren de ruimtelijke inrichting van de eigen omgeving te vergelijken met die in omgevingen elders, in binnen- en buitenland, vanuit de perspectieven landschap, wonen, werken, bestuur, verkeer, recreatie, welvaart, cultuur en levensbeschouwing. In ieder geval wordt daarbij aandacht besteed aan twee lidstaten van de Europese Unie en twee landen die in 2004 lid werden, de Verenigde Staten en een land in Azië, Afrika en Zuid-Amerika.



48 Kinderen leren over de maatregelen die in Nederland genomen worden/werden om bewoning van door water bedreigde gebieden mogelijk te maken.



49 De leerlingen leren over de mondiale ruimtelijke spreiding van bevolkingsconcentraties en godsdiensten, van klimaten, energiebronnen en van natuurlandschappen zoals vulkanen, woestijnen, tropische regenwouden, hooggebergten en rivieren.



50 De leerlingen leren omgaan met kaart en atlas, beheersen de basistopografie van Nederland, Europa en de rest van de wereld en ontwikkelen een eigentijds geografisch wereldbeeld.


Tijd
51 De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen en ze leren aanduidingen van tijd en tijdsindeling te hanteren.



52 De leerlingen leren over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken: jagers en boeren; Grieken en Romeinen; monniken en ridders; steden en staten; ontdekkers en hervormers; regenten en vorsten; pruiken en revoluties; burgers en stoommachines; wereldoorlogen en holocaust; televisie en computer.


KUNSTZINNIGE ORIËNTATIE
53 De leerlingen leren over de belangrijke historische personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en kunnen die voorbeeldmatig verbinden met de wereldgeschiedenis.



54 De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken, om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.



55 De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.



56 De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed.


BEWEGINGS ONDERWIJS
57 De leerlingen leren op een verantwoorde manier deelnemen aan de omringende bewegingscultuur en leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren en uitvoeren.



58 De leerlingen leren samen met anderen op een respectvolle manier aan bewegingsactiviteiten deelnemen, afspraken maken over het reguleren daarvan, de eigen bewegingsmogelijkheden inschatten en daarmee bij activiteiten rekening houden.


In de bijlage "Methodenoverzicht" wordt de relatie kerndoel, leergebied, methode, leerjaar, e.d. gelegd.

Bij deze kerndoelen zijn de leerstofoverstijgende doelen niet expliciet geformuleerd. Een aantal leerstofoverstijgende doelen zijn in de kerndoelen geïntegreerd, maar op onze school wordt ook aandacht besteed aan belangrijke leerstofoverstijgende zaken zoals:
  • goede werkhouding
  • gebruik van leerstrategieën
  • reflectie op eigen handelen en leren
  • uitdrukken van eigen gedachten en gevoelens
  • respectvol luisteren
  • respectvol kritiek geven
  • verwerven en verwerken van informatie
  • ontwikkelen van zelfvertrouwen
  • respectvol en verantwoordelijk omgaan met elkaar
  • waardering en zorg voor de leefomgeving