Home

Schoolplanbijlage 12

GEDRAGSREGELS VOOR TEAM / LEERLINGEN / OUDERS VAN DE RANK (laatste wijziging: mei 2011)

Teamleden kunnen voorstellen tot aanpassing vermelden op de pagina: wijzigingen gedragsprotocol.

VOORWOORD

Onderwijspersoneel , leerlingen en hun ouders hebben recht op een school, waarin zij zich veilig voelen. Daarin is geen plaats voor pestgedrag, seksuele intimidatie, lichamelijk geweld, racisme en discriminatie. Vandaar dit protocol om m.n. preventief te zorgen voor een veilig schoolklimaat. Naast algemene regels en afspraken is het nodig specifieke gedragsregels af te spreken voor leerlingen, teamleden en ouders. Deze gedragsregels hebben betrekking op de volgende onderwerpen:

OMGANGSREGELS


Voor alle betrokkenen geldt de gulden regel :
Ga met een ander om, zoals jij wilt dat een ander met jou omgaat!

We hanteren de volgende regels op school, maar ook thuis, bij anderen of buiten:

  1. We doen niets bij een ander, wat we zelf ook niet willen.
  2. We komen niet aan een ander, als de ander dat niet wil.
  3. We noemen elkaar bij de voornaam en gebruiken geen scheldwoorden.
  4. We proberen problemen op te lossen door samen te praten of naar juf/meester te gaan.
  5. Uitlachen, kinderen buitensluiten of spullen afpakken, vinden we niet goed.
  6. We gaan naar juf/meester, als de regels niet nageleefd worden of als er gevaar dreigt.
  7. We lachen om een grap, maar niet om een ander.
  8. We vertellen de waarheid: eerlijkheid duurt het langst.
  9. We zijn aardig voor elkaar.
  10. We houden rekening met een ander.

Toelichting:
Deze regels zijn duidelijk en bieden zekerheid en veiligheid. De leerlingen leren regels en kunnen elkaar corrigeren. Indien dit niet lukt, heeft een volwassene het recht om in te grijpen. Leerlingen leren op deze manier op jonge leeftijd al, een goede vorm van sociale controle. Ook wordt samenzwering en klikgedrag al snel doorbroken. Leerlingen leren bovendien, dat hun lijf van henzelf is. Kindermishandeling en misbruik kunnen voorkomen worden. Het is belangrijk, dat leerlingen leren, dat ze niet alleen op school veilig moeten zijn, maar ook thuis, bij anderen en buiten.

Voor teamleden voegen we hier nog de volgende algemene gedragsregels aan toe:

  1. We vermijden situaties, waarin we alleen met een leerling of een collega in een afgesloten ruimte achterblijven, zodat er geen beschuldiging van ongewenste intimiteiten gedaan kan worden.
  2. We respecteren iemands persoonlijke levenssfeer.
  3. We maken geen opmerkingen, die door een ander als kwetsend ervaren kunnen worden.
  4. We accepteren de ander zoals hij/zij is.
  5. We houden zaken, die in vertrouwen zijn gezegd, voor ons zelf.
  6. We vragen naar duidelijkheid bij de ander, als ons iets dwars zit.
  7. We letten op ons non-verbale gedrag.
  8. We zijn oprecht en tonen respect voor de ander.
  9. We uiten kritiek, maar ook positieve waardering.
  10. We praten niet negatief over leerlingen naar anderen toe.
  11. We praten niet negatief over collega’s naar anderen toe.
  12. We discrimineren niet.

PESTEN


Pesten moet serieus worden aangepakt. Alle betrokkenen moeten bereid zijn het te voorkomen en te bestrijden. Bij de aanpak van pesten op school gaan we uit van de vijfsporenaanpak:
  • hulp aan het gepeste kind,
  • hulp aan de pester,
  • hulp aan de zwijgende middengroep,
  • hulp aan de leerkracht,
  • hulp aan de ouders.

Voorwaarden:

  1. Door mondelinge en schriftelijke informatie worden alle betrokkenen op de hoogte gebracht van het probleem ‘pesten’. ( Wat is pesten? Wat zijn de gevolgen? Hoe vaak komt het voor? ).
  2. Zowel de school als geheel als ieder teamlid afzonderlijk probeert pesten te voorkomen. Deze preventieve aanpak bestaat uit:
  • het streven naar een goed pedagogisch klimaat
  • het bieden van veiligheid en geborgenheid
  • het regelmatig bespreekbaar maken van het onderwerp ‘pesten’
  • het verzorgen van een ouderavond over het onderwerp ‘pesten’
  • het op de hoogte houden van collega’s over mogelijke pestsituaties, b.v. het schoolplein
  • leerlingen uitleggen, dat signaleren van pesten geen klikken is en dus doorgegeven moet worden aan de juf/meester
  • leerkrachten geen bijnamen gebruiken voor hun leerlingen
  • leerkrachten geen kwetsende of cynische opmerkingen maken naar leerlingen toe
  • leerkrachten gedragsregels opstellen met de groep en toezien op de naleving hiervan
  • leerkrachten tijdens het speelkwartier actief surveilleren.

Verder wordt er van elke leerkracht verwacht, dat hij/zij werkt aan positieve groepsvorming:
  • respect voor elkaars mogelijkheden en onmogelijkheden
  • samenwerken;elkaar helpen
  • respect voor elkaars spullen
  • niemand buitensluiten
  • actief naar elkaar luisteren
  • ruzies uitpraten.

  1. Van iedere leerkracht mag worden verwacht, dat hij/zij pesten kan signaleren. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van diverse vakliteratuur en informatie van ouders, collega’s en medeleerlingen.
  2. De leerkracht neemt duidelijk stelling. De leerkracht geeft duidelijk en ondubbelzinnig aan, dat hij/zij het pestgedrag afkeurt en verafschuwt. Hij/zij probeert zicht te krijgen op de oorzaak, de omvang en de gevolgen. De leerkracht probeert het invoelend vermogen van de pester en de zwijgende middengroep te vergroten. ( als jij nu eens gepest werd …)
  3. Wanneer het pesten ondanks alle inspanningen doorgaat of opnieuw de kop opsteekt, gaat de leerkracht over tot een directe, curatieve aanpak. Hierin staat de leerkracht niet alleen; hij/zij kan een beroep doen op collega’s, intern-begeleiders en b.v. een leerlingbespreking in het team. Het team is in zijn geheel verantwoordelijk voor het welzijn van alle leerlingen.

De directe, curatieve aanpak bestaat uit twee methoden:

De niet-confronterende methode:
Deze methode wordt toegepast als de leerkracht vermoedt dat er sprake is van onderhuids pesten.
  • hij/zij schakelt collega’s in om vermoedens mogelijk te versterken,
  • de leerkracht kan een algemeen probleem aan de orde stellen, om zo een eerste signaal af te geven, ( b.v. oorlog-vrede / mensenrechten / machtsmisbruik ),
  • de leerkracht kan een gesprek starten over buitensluiten in het algemeen en in de klas, evt. d.m.v. een rollenspel,
  • de leerkracht kan leerlingen inschakelen, om op te letten of er misschien gepest wordt,
  • hij/zij wacht het moment af, dat er daadwerkelijk gepest wordt en neemt dan duidelijk stelling.

De confronterende methode:
Deze methode past de leerkracht toe als een leerling daadwerkelijk wordt gepest.
  • de leerkracht neemt duidelijk stelling,
  • de leerkracht voert een gesprek over pesten in het algemeen,
  • de leerkracht spreekt duidelijke regels af met de leerlingen,
  • de leerkracht behandelt het probleem d.m.v. een les of project.

Daarnaast: hulp aan de pester.
  • de leerkracht vraagt hulp van de intern-begeleider,
  • de leerkracht voert een kort, straffend gesprek,
  • de leerkracht voert probleemoplossende gesprekken en probeert de oorzaak van het probleem bloot te leggen,
  • de leerkracht maakt afspraken met de pester over gedragsverandering,
  • de leerkracht kan een rollenspel laten spelen, waarbij de pester ervaart hoe het is om buitengesloten te worden,
  • de leerkracht kan een gesprek met de ouders aangaan,
  • de leerkracht kan met toestemming van de ouders externe hulp aanvragen, b.v. een sociale vaardigheidstraining,
  • indien ouders weigeren en het probleemgedrag blijft bestaan, kan overgegaan worden tot schorsing en verwijdering van school.

Daarnaast: hulp aan het gepeste kind.
Kinderen, die voortdurend worden gepest, reageren meestal door passief gedrag of ze gaan uitdagen. Beide vormen van gedrag zijn aangeleerd en kunnen dus ook weer afgeleerd worden. Vaak verdwijnt het gedrag als het pesten stopt. Toch kunnen vormen van afwijkend gedrag langdurig aanwezig blijven en opnieuw aanleiding zijn tot pesten.
  • de leerkracht vraagt hulp van de intern-begeleider,
  • de leerkracht probeert de leerlingen begrip en respect bij te brengen voor ieders eigenheid,
  • de leerkracht probeert zo mogelijk de aanleiding tot het pestgedrag bespreekbaar te maken,
  • bij ernstige gevolgen van pesten probeert de leerkracht samen met de ouders het gepeste kind zijn/haar gevoel voor eigenwaarde terug te laten vinden. Zonodig wordt hierbij hulp gevraagd van externe instanties.

Vertrouwenspersoon – Klachtencommissie. Indien de ouders van het gepeste kind vinden, dat de school onvoldoende of onjuist heeft gehandeld, of naar de mening van de ouders niet het gewenste resultaat is bereikt, kunnen zij via de vertrouwenspersoon een klacht indienen bij de externe vertrouwenspersoon. Deze gaat na of door de school al het mogelijke is gedaan, wat redelijkerwijs van de school mag worden verwacht. Hij/zij bemiddelt eventueel tussen school en ouders. Als er geen bevredigende oplossing wordt gevonden, dan wordt de klacht neergelegd bij de klachtencommissie. Deze klachtencommissie behandelt de klacht en adviseert het bevoegd gezag.


SEKSUELE INTIMIDATIE


Hierbij dient rekening gehouden te worden met de volgende situaties:

Schoolcultuur en pedagogisch klimaat:
  • Het onderwijzend en niet-onderwijzend personeel onthoudt zich van seksistisch taalgebruik en seksistische gedragingen, seksueel getinte grappen, toespelingen en die wijze van aanspreken, die door de leerlingen en/of andere bij de school betrokkenen als seksistisch kunnen worden ervaren.
  • Het onderwijzend en niet-onderwijzend personeel ziet er tevens op toe, dat het bovenstaande niet gebezigd wordt in de relatie leerling-leerling.
  • Het onderwijzend en niet-onderwijzend personeel draagt er zorg voor, dat er binnen de school geen seksueel getinte affiches, tekeningen en artikelen in bladen (b.v. schoolkrant) worden gebruikt of opgehangen, die kwetsend kunnen zijn voor een bepaalde sekse.

Eén op één- contacten tussen leerkrachten en leerlingen:
  • Leerlingen worden buiten schooltijden niet langer dan een half uur alleen op school gehouden. Ouders worden hiervan altijd op de hoogte gebracht.
  • Zonder medeweten van ouders, worden leerlingen niet bij onderwijsgevenden thuis uitgenodigd. Indien dit wel het geval is, worden redenen en tijdsduur aangegeven.

Troosten/Belonen/Feliciteren e.d. in de schoolsituatie:
In principe worden kinderen niet getroost door middel van zoenen, maar b.v. door een aai over de bol, een arm om de schouder of op schoot nemen. Kinderen hebben het recht aan te geven wat zij prettig of niet prettig vinden. Van de leerkracht wordt verwacht, dat hij/zij hiervoor ruimte geeft aan de leerling en dit recht respecteert. Spontane reacties bij troosten of belonen in de vorm van een zoen blijven mogelijk, mits het hier genoemde recht van de kinderen wordt gerespecteerd.

Hulp bij aan- en uit- en omkleden:
  • Bij de kleuters komt het regelmatig voor, dat geholpen moet worden bij het aan- en uitkleden, b.v. bij de gymles of het naar de w.c. gaan. Ook in groep 3 en 4 kan dat nog voorkomen. Deze hulp behoort tot de normale taken van de betrokken groepsleerkracht.
  • Vanaf groep 4 is hulp bij het aan- en uitkleden of omkleden nauwelijks meer nodig. Toch kan het voorkomen, dat leerlingen zich in bepaalde situaties gedeeltelijk moeten uitkleden of omkleden. Denk b.v. aan het verzorgen van opgedane verwondingen of het omkleden voor toneel of musical. De leerkrachten houden hierbij rekening met wensen en gevoelens van leerlingen. Een open vraag als: “ Wil je het zelf doen of heb je liever dat de juf/meester je helpt?”, wordt door de leerling als heel normaal ervaren en meestal ook eerlijk beantwoord.
  • Als de situatie erom vraagt wordt door iedere leerkracht meteen hulp verleend.

Buitenschoolse activiteiten:
  • Tijdens het schoolkamp slapen mannelijke begeleiders bij de jongens en vrouwelijke begeleiders bij de meisjes. Indien deze verdeling niet mogelijk is, wordt dit van te voren aan de leerlingen bekend gemaakt.
  • Tijdens het schoolkamp worden slaap- en omkleedruimtes alleen betreden door vooraf een duidelijk teken te geven door de leiding. Op deze manier wordt rekening gehouden met het zich ontwikkelend schaamtegevoel bij jongens en meisjes.
  • Indien er hulp geboden moet worden bij ongevallen, ziek worden of anderszins, waarbij het schaamtegevoel van de kinderen een rol kan spelen, wordt de uitdrukkelijke wens van het kind gerespecteerd, rekening houdend met de aanwezige mogelijkheden.
  • Indien mogelijk maken jongens en meisjes gebruik van gescheiden toiletten en douches.
  • Bij de activiteiten wordt rekening gehouden met de eigenheid van beide seksen.
  • De goede spontaniteit in de omgang van leiding en kinderen en kinderen onderling dient gewaarborgd te blijven, dit ter beoordeling van het gehele team.
  • Tijdens schoolreis en schoolkamp worden geen aanstootgevende liederen gezongen.

RACISME EN DISCRIMINATIE


Wij leven in een multi-culturele samenleving. Dit houdt in, dat verschillende groepen uit onze samenleving hun eigen volkscultuur hebben. Iedere groep heeft zijn eigen aard: huidskleur, levensovertuiging, volksgewoonten, e.d.. Daarnaast spreken deze groepen naast hun eigen taal vaak gebrekkig Nederlands. Behalve de reeds gevestigde groepen kent ons land ook veel vluchtelingen en asielzoekers.
Om hier op een juiste manier mee om te gaan, vraagt dit extra inzet en aandacht voor een goed pedagogisch klimaat. Daarom wordt van alle leerkrachten het volgende verwacht:
  • De leerkracht behandelt alle leerlingen en hun ouders gelijkwaardig.
  • Hij/zij bezigt geen racistische of discriminerende taal.
  • Hij/zij draagt er zorg voor, dat er in het lokaal geen racistische of discriminerende teksten of afbeeldingen voorkomen op posters of te gebruiken materialen en boeken.
  • De leerkracht ziet er op toe, dat leerlingen en ouders geen racistische of discriminerende houding aannemen in taal en gedrag.
  • Leerlingen, die op school betrapt worden op racistische of discriminerende taal, worden hierop aangesproken. Collega’s worden hiervan op de hoogte gesteld.
  • De behandeling van racistisch of discriminerend gedrag gebeurt overeenkomstig de procedure, zoals deze is omschreven bij ‘pesten’. Zowel preventief als curatief, als volgens de klachtenregeling.
  • De leerkracht neemt duidelijk afstand van racistisch en discriminerend gedrag van collega’s, ouders en andere volwassenen binnen de school en maakt dit ook kenbaar.

LICHAMELIJK GEWELD


Bij dit onderwerp hanteren we de volgende regels:
  • Binnen de schoolpoorten wordt iedere vorm van lichamelijk geweld, verbaal geweld en bedreiging, zowel door volwassenen als door kinderen, zoveel mogelijk voorkomen en niet getolereerd.

In de relatie leerkracht-leerling:
  • De leerkracht vermijdt lichamelijk geweld als straf.
  • Bij overtreding van bovenstaande regel door een emotionele reactie deelt de leerkracht dit mee aan de directeur.
  • Bij overtreding neemt de leerkracht zo snel mogelijk contact op met de ouders om het gebeurde te melden en uit te leggen.
  • ls de ouders een klacht indienen bij de directeur, wordt een gesprek gearrangeerd tussen de ouders en de directeur ( en eventueel de leerkracht, indien de ouders geen bezwaar hebben ).
  • Indien er geen bevredigende oplossing wordt gevonden, legt de vertrouwenstussenpersoon de klacht neer bij de vertrouwenspersoon.
  • Deze vertrouwenspersoon bemiddelt tussen de betrokken partijen, om tot een bevredigende oplossing te komen.
  • Lukt dit niet, dan wordt de klacht voorgelegd aan de klachtencommissie.

In de relatie volwassenen-leerling:
  • Bij lichamelijk geweld door een volwassen persoon, niet zijnde een leerkracht, toegebracht aan een leerling, wordt dit gemeld bij de directeur en de vertrouwenspersoon.
  • De vertrouwenspersoon tracht te bemiddelen tussen de betrokken partijen. Bij ernstige situaties wordt eventueel de politie ingeschakeld.
  • Indien de vertrouwenspersoon niet kan zorgen voor een bevredigende oplossing, wordt de klacht neergelegd bij de klachtencommissie.

In de relatie ouder-leerkracht:
  • Elke vorm van verbaal of lichamelijk geweld of een dreiging daarvan, wordt niet getolereerd. Indien hiervan sprake is, wordt door de leerkracht melding gemaakt bij de directeur en wordt tevens aangifte gedaan bij de politie.

In de relatie leerling-leerling:
Zie de preventieve en curatieve aanpak bij ‘pesten’.

PRIVACY


De huidige organisatie van de school heeft er toe geleid, dat steeds meer mensen te maken krijgen met bepaalde kinderen en hun ouders en verzorgers. Dit geldt zowel voor binnen als buiten de school. Vanuit dit gegeven is het goed de privacy van kinderen en ouders te beschermen.
Gegevens over de thuissituatie, medische informatie, gegevens van hulpverlenende instanties worden als privacygegevens beschouwd. Alsmede uitslagen van testen, verslagen van observaties en andere rapportage. Deze gegevens worden vastgelegd in het leerlingendossier, dat op school ter inzage aanwezig is voor ouders. De gegevens in dit leerlingendossier spelen een belangrijke rol bij de begeleiding en de ontwikkeling van het kind. De groepsleerkrachten hebben inzage in het leerlingendossier.

We kennen de volgende afspraken:

Relatie leerkracht-kind/ouder:
  • Privacygegevens, die van belang zijn voor de aanpak en begeleiding van een leerling en die vrijwillig door ouders bekend zijn gemaakt aan groepsleerkracht of directie, worden alleen met toestemming van ouders bewaard in het leerlingendossier.
  • Privacygegevens, die niet relevant zijn voor de aanpak en begeleiding van een leerling, maar desondanks toch spontaan door ouders bekend zijn gemaakt, worden niet opgenomen in het leerlingendossier.
  • Uitslagen van testen, onderzoeken van o.a. de OBD worden alleen met toestemming van ouders en de betrokken instanties doorgegeven aan derden en uitsluitend dan, als het voor de verdere begeleiding van het kind van belang is.
  • Gegevens, die door de ouders of door instanties aan de leerkracht in vertrouwen worden gemeld, worden alleen dan met collega’s besproken, als dit in het belang is van de begeleiding en ontwikkeling van het kind.
  • Gegevens, die bij de regelgeving door instanties kunnen worden opgevraagd zonder medeweten van ouders, vallen onder het begrip privacy en worden met de grootste terughoudendheid verstrekt.
  • Iedere leerkracht respecteert het recht van ouders privacygegevens niet beschikbaar te stellen aan school of hulpverlenende instanties.

Relatie directie-leerkracht:
  • Gegevens, die door ouders of instanties bekend worden gemaakt aan de directie en een strikt vertrouwelijk karakter hebben, worden zonder toestemming van de ouders of instanties niet doorgegeven aan overige leerkrachten.
  • Gegevens, die door een kind in strikt vertrouwen aan de directie worden bekend gemaakt, worden niet doorgegeven aan anderen, tenzij dit de begeleiding en ontwikkeling van het kind ernstig belemmeren. Relevante gegevens worden doorgegeven aan de vertrouwensarts en/of het meldpunt AMK. Dit gebeurt in overleg met het betreffende kind.

Relatie leerkracht-leerkracht:
  • In formele en informele sfeer wordt de privacy van ouders en kinderen gerespecteerd. Privacygegevens worden alleen besproken voor zover ze relevant zijn bij de uitoefening van het werk.
  • Leerlinggegevens worden niet besproken in bijzijn van derden. ( b.v. andere ouders )
  • Zie verder: relatie directie-leerkracht.

Relatie ouders/kinderen-vertrouwenstussenpersoon:
  • Gegevens, die door de ouders en/of kinderen worden bekend gemaakt aan de vertrouwenstussenpersoon, worden behandeld conform de klachtenregeling.

Bijzondere afspraken rondom privacy bij gescheiden ouders:
  • In situaties waarbij de ouders gescheiden zijn, wordt op verzoek van de niet met de ouderlijk gezag belaste ouder, door de leerkracht die informatie verstrekt, die de verzorging en opvoeding van het kind betreffen, b.v. ontwikkeling en leerprestaties van het kind.
  • Voor het geven van bovenstaande informatie, is het mogelijk de niet met de ouderlijk gezag belaste ouder te ontvangen op een ouderavond.
  • Informatie aan de niet met de ouderlijk gezag belaste ouder wordt niet verstrekt als de leerkracht de informatie ook niet zou geven aan de wel met ouderlijk gezag belaste ouder.
  • Informatie aan de niet met de ouderlijk gezag belaste ouder wordt eveneens niet verstrekt, als er zwaarwegende belangen van het kind zijn, die zich daar tegen verzetten. Dit moet blijken uit aangevoerde feiten en omstandigheden.

Bijzondere afspraken rondom privacy bij aanwezigheid van met HIV besmette leerkrachten en kinderen:

Algemeen:
Ieder kind met een HIV-infectie kan in principe normaal naar een kinderdagverblijf, crèche, basisschool, club, enz.. Ditzelfde geldt voor leerkrachten en andere begeleiders.
Indien op school de normale hygiënische regels in acht genomen worden, bestaat er geen infectiegevaar voor kinderen en leerkrachten. Naast goede voorlichting is het belangrijk regels af te spreken, die bescherming bieden aan seropositieve leerlingen en leerkrachten. Deze staan hieronder vermeld. Daarnaast bevindt zich voorlichtingsmateriaal in de toegevoegde GGD-wijzer. Het is van belang, dat elke leerkracht deze informatie doorneemt.

Relatie seropositieve leerkracht/ouders van een seropositief kind-school:
  • Een seropositieve leerkracht of ouder van een seropositief kind is niet wettelijk verplicht de school in te lichten over hun besmetting. Wij dienen dit dus te respecteren.
  • Indien de bedoelde ouder of leerkracht een ander in vertrouwen neemt, mag deze de informatie, zonder toestemming van de betrokkene, niet doorgeven aan derden of opslaan in een dossier.
  • Op het moment dat de vertrouwelijke informatie wordt verstrekt, overlegt de in vertrouwen genomen persoon met de bedoelde leerkracht of ouder, bij wie hij/zij hulp kan vragen als de geheimhouding te zwaar gaat wegen. Denk aan een collega, vertrouwenstussenpersoon, vertrouwenspersoon, schoolarts of huisarts.
  • Indien ouders van andere kinderen vragen of er op school leerkrachten of kinderen aanwezig zijn, die besmet zijn met HIV, worden deze ouders doorverwezen naar de directie.

Relatie groepsleerkracht-seropositieve leerling:
  • De groepsleerkracht, die op de hoogte is van de aanwezigheid van een met HIV besmette leerling, laat betreffende leerling onbevangen aan alle schoolactiviteiten meedoen.

Tot slot.

  • Bij zaken, die niet in dit document worden genoemd, beslist de directie in overleg met team en bovenschools management.
  • De bepalingen en afspraken in dit document mogen niet in strijd zijn met de klachtenregeling en het personeelsbeleidsplan, zoals die door het bevoegd gezag zijn vastgesteld.